Geschiedenis van Chocolade

 

De Azteken verbonden cacao met Xochiquetzal, de godin van de vruchtbaarheid. Zij dronken
een chocoladedrank, xocoatl, vaak op smaak gebracht met vanille, chilipeper en piment. De
drank zou vermoeidheid tegengaan, wat wordt veroorzaakt door de cafeïne in de cacao. Een
Spaanse jezuïtische missionaris, Jose de Acosta, die aan het eind van de 16e eeuw in Peru en
Mexico woonde, schreef hier al over. De drank werd onder andere gebruikt aan het hof van
keizer Moctezuma.

In 1585 werd chocolade voor het eerst op commerciële schaal van Vera Cruz naar Sevilla vervoerd.
Chocolade werd toen alleen gedronken, waarbij de Europeanen er suiker aan toevoegden en de
chilipeper weglieten. In 1615 werd de chocoladedrank bij officiële audiënties bij de Franse Koning
ingevoerd. Later werd dit door bezuinigingen weer afgeschaft. In de 17e eeuw was chocolade een
luxeproduct dat vooral gebruikt werd door de adel.

De Spanjaarden, die in Amerika woonden, ontdekten dat er lekkere chocoladekoekjes konden
worden gemaakt door suiker aan de cacaopasta toe te voegen. De Spanjaarden konden de
bereiding van chocolade bijna een eeuw lang geheim houden.

De eerste   chocoladefabriek verrees in 1728 in Engeland. In 1760 kwamen er fabrieken in Duitsland  
en Frankrijk.   Zwitserse chocolade werd gefabriceerd in de   eerste Zwitserse fabriek in 1819. In het
midden van de   zeventiende eeuw kwamen in Nederland speciale koffie- en chocoladehuizen.  
In 1828 begon in Nederland de chocoladeproductie door een uitvinding van   Coenraad J. van Houten,
waarbij op eenvoudige   wijze het vet van de cacaomassa kon worden gescheiden; iets wat wereldwijde  
navolging kreeg. Eind 18e eeuw begon chocolade in prijs te dalen, zodat het   een echte volksdrank kon
worden.   De eerste eetbare chocolade zou in 1847 zijn gemaakt door de Britse Quaker Joseph Fry.
De Quaker-families Fry,   Cadbury en Rowntree waren twee eeuwen in de chocolade-industrie actief.